Plattelandsbistro

Anne Bonthuis

02-03-2013 10:10:26

Voor Nederlanders is bijna niets zo typisch Frans als de bistro. In onze beleving is dat een knus, klein eetcafé met geruite tafelkleedjes, een traditionele kaart en Franse chansons op de achtergrond. Dat type bistro’s (vaak als bistrot geschreven) is voornamelijk in Parijs, of eventueel in Lyon, te vinden. In de grote stad, dus. Toen wij zo’n twintig jaar geleden hier kwamen wonen, ontdekten we snel dat het woord ‘bistro’ voor mensen op het platteland niets anders betekent dan een plaats om iets te gaan drinken. Aller au bistro bleek het Franse equivalent van het Vlaamse ‘een pintje pakken’. Al of niet leunend op de comptoir, het blad van de bar dat meestal van zink is gemaakt. Vandaar ook de uitdrukking dat iemand zich au zinc bevindt. Op de bar staat vaak een schaal met croissants, voor wie nog niet ontbeten heeft en een schaal met hardgekookte eieren, voor de kleine, hartige trek. Maar meer is er in de ouderwetse plattelandsbistro, geopend vanaf zes uur ’s morgens, niet te eten. Hoogtepunt van de dag is het middaguur, want dan is het voor veel mannen tijd voor een apéro.

Op de bar staan croissants, voor wie nog niet ontbeten heeft en een schaal met hardgekookte eieren, voor de kleine, hartige trek

Wij kwamen vroeger graag op de wekelijkse marktdag rond twaalf uur in een oude bistro in Montmarault. Daar was het dan extra druk met boeren die hun ‘nette’ Terlenka-broek en dito pet hadden opgezet. De bediening was in handen van Fernande, een kittige, oude dame, opgemaakt als een filmster. Ze mocht dan over de zestig zijn, de boeren flirtten nog graag met haar. “Fernande, un ballon de rouge, s’il vous plaît !” Waarop zij bevallig kwam aanlopen met rode wijn in een klein, bolvormig wijnglas. De Franse wet schrijft voor dat de klant altijd moet kunnen zien uit welke fles zijn glas wordt bijgeschonken, dus Fernande sjouwde regelmatig langs de verschillende tafeltjes met armen vol flessen. De boeren maakten daar handig gebruik van om haar in het voorbijgaan even in de bil te knijpen! Een goede vriend van ons, een Fransman op leeftijd, vroeg ons destijds of we eens wat wilden gaan drinken in de oudste bistro uit de buurt. Uiteraard waren we benieuwd. Hij nam ons mee naar een dorp, waar we een piepklein gelagkamertje binnenstapten. Er heerste een serene stilte. Aan een tafeltje wachtten wij op de komst van la patronne, die zoals onze vriend ons vertelde, Ginette heette. Héél langzaam ging de deur achter de bar open en kwam er een zeer oud dametje binnen. “Ginette!” riep onze vriend. Ze schuifelde dichterbij, morrelde wat aan haar gehoorapparaat en herkende ineens haar vroegere klant: “Robert, c’est toi!” “Vroeger kwam deze jongeman vaak wat bij me drinken”, zei ze, wijzend op onze vriend die toch dik in de zeventig was. Voor haar een jonkie, want Ginette bleek zelf ergens in de negentig te zijn. Rolf en ik bestelden ieder een Kir, Robert een glaasje Suze. Ginette deed er ruim een kwartier over om ons, de enige gasten van die dag, te bedienen. Het zou best kunnen zijn dat wij tot de laatste klanten behoren van de piepkleine bistro van Ginette. Kort erna bereikte ons het bericht dat Ginette was overleden. Sindsdien heeft het dorp geen bistro meer. Zo is het meer dorpen vergaan. Ook het platteland moderniseert, al gaat het langzamer dan in de stad. Heel veel simpele kroegjes zijn inmiddels gesloten. Tegenwoordig is een ‘bistro’ ook hier vaak een eetgelegenheid. De interieurs zijn moderner en lichter. Maar nog steeds staat er in veel bistro’s rond het middaguur een groepje mannen aan de bar. “Femme au fourneau, l’homme au bistro!” beweren veel van deze kerels nog steeds. Vrouwen aan het fornuis? Misschien tijd om dat idee ook eens te moderniseren.  

Schrijf je in voor de nieuwsbrief!

Nu in de winkel!


Meer Overig